Het Individuele Rouwproces

Volgens Bowlby (1998) omvat het individuele rouwproces drie fasen, namelijk vermijden, confrontatie en accomodatie.

 

1. Ontkenning

Wanneer iemand (onverwachts) te horen krijgt dat een dierbare is overleden, leidt dit meestal tot ontkenning en ongeloof. Het lijkt een boze droom waaruit men het liefst snel wil ontwaken en men voelt zich al verdoofd: de pijn voelt als onwerkelijk. Deze fase kan enkele uren tot een aantal dagen duren

2. Confrontatie

Nu begint de pijn in alle hevigheid door te dringen en wordt het verlies tastbaar. Dit leidt tot een reeks emotionele en fysiologische reacties zoals angst, verdriet, boosheid, protest, hulpeloosheid, frustraties, zich in de steek gelaten voelen, concentratieproblemen, slaapproblemen, geen honger en destructief gedrag (bovenmatig alcohol- of drugsgebruik, gevaarlijk rijgedrag). Vaak valt dit samen met een vurig verlangen om de overledene te weerzien. Men wordt echter veelvuldig geconfronteerd met het afschuwelijke feit dat de overledene er niet meer is en ook niet meer zal komen. Deze onvermijdelijke confrontaties met de realiteit leiden uiteindelijk tot acceptatie van de situatie: de geliefde of dierbare is dood, de relatie kan alleen in de herinnering blijven bestaan.

3. Accomodatie

In deze fase van het rouwproces ontstaan langzaam weer interesse in de buitenwereld. Het verdriet wordt minder intens. Men wil en kan weer energie steken in andere zaken. Op sommige momenten en speciale gelegenheden kan het verdriet weer toeslaan (verjaardagen, feestdagen, het opruimen van een kast met daarin herinneringen aan de dierbare), maar het verdriet belemmert niet meer het dagelijkse functioneren. Men went langzaam maar zeker aan de nieuw status en de identiteit wordt bijgesteld.